10 10 2 0 0

ZUIDELIJKE GAANDERIJ, OOST KANT

Angkor Wat is een groot Hindoe bouwwerk dat gesticht is door koning Suryavarman II, die vanaf 1112 tot waarschijnlijk 1145 AD regeerde. Hij was een Hindoe. Aan de tempel werd gebouwd vanaf het begin van de 12e tot het midden van de 12e eeuw AD.

Aan de oostkant van de zuidelijke gaanderij is 66,5 m relief, gewijd aan Yama, de god van de hel, en zijn oordeel over zondaren. De wand is verdeeld in drie registers boven elkaar. In de bovenste twee zijn situaties in de hemel en in het onderste register zijn straffen in de hellen uitgebeeld.

In de bovenste twee rijen zijn naast elkaar lopende mannen en vrouwen, dragers met draagstoelen waarin vrouwen en mannen zitten en paleizen met erin zittende vorstelijke figuren. Het is mogelijk dat zij de hofhouding van de koning voorstellen: figuren van lage rang, van hoge rang, prinsen en prinsessen, legeraanvoerders, ministers. Er zijn in totaal 19 draagstoelen en 37 hemelse paleizen. Deze laatsten worden omhooggehouden door staande vogels, garuda’s, leeuw- en mensachtige figuren. De hemelse paleizen hebben drie vertrekken. In het middenvertrek zit de vorstelijke ziel en in de nevenvertrekken de bedienden of kinderen.

Even na het begin van de serie worden de registers onderbroken door drie grote figuren. Zij stellen de god van de onderwereld, Yama, en zijn beide assistenten, Citragupta de man die notities heeft van de daden van de zielen, en Dharma de man die de straffen en de strafmaat bepaalt.

Inscripties in horizontale vlakken boven vermelden bijzonderheden. Er zijn 36 inscripties in het Oud Khmer. Zij verwijzen naar 32 hellen en sub-hellen. De god van de onderwereld is Yama. Hij wordt bijgestaan door Citragupta, de man die een boek met aantekeningen heeft met de zonden van de te straffen zielen, en Dharma, de man die een oordeel over mate en duur van de straffen uitvaardigt.

Volgens Coedes (1911: 207) is het Cambodjaanse concept dat er 32 hellen zijn afgeleid van het Boeddhisme. De Boeddhisten onderscheiden 4, 8, 16 of 32 hellen. De Hindoes noemen 7, 21 of 28 hellen. Het getal 32 in connectie met hellen schijnt Noord Indiaas te zijn. Er zijn echter tot op heden geen Indiase of Chinese teksten gevonden, die dezelfde hellen opsommen als de Cambodjaanse op Angkor Wat. Dat hoeft niet in te houden dat de 32 hellen een Cambodjaans verzinsel zijn. Het is heel goed mogelijk dat de tekst of teksten die details verschaffen over deze 32 hellen nog niet gevonden zijn, of verloren gegaan zijn.

De inscripties geven de volgende verduidelijkingen:

  1.  deze weg hieronder is de weg naar de hellen (naraka)
  2. deze weg hierboven is de weg naar de hemels (svarga)
  3. Yama (hij zit op zijn rijdier de buffel)
  4. Dharma en Citragupta
  5. Avici, Zonder Rust hel. Mensen die uitsluitend in zonde leven. (de zielen worden op puntige voorwerpen gegooid, anderen worden gevild)
  6. Krminicaya, Opgestapelde wormen hel. Mensen die minachting hebben voor goden, het heilige vuur; leermeesters; brahmanen; geleerden; hen die de Leer/Dharma onderwijzen; voor hen die god Siva eren; voor hun moeder; voor hun vader; voor hun vrienden. (de zielen worden in een massa krioelende wormen gegooid en met stokken geslagen)
  7. Vaitarani nadi, Waden door een River hel. Mensen die minachting hebben voor de wetenschap van…. (beschadigd); Dieven, bedriegers; zij die de rasa (smaken, gevoelens) stelen. (de zielen worden in stinkend water gezet; hun tongen worden met een tang uitgetrokken en hun monden worden doorboord met een spies)
  8. Kutasalmali, zijdekatoenboom-doorn hel; mensen die…. (beschadigd) en valse getuigenis afleggen. (de zondaren worden op doornige boomtakken gegooid; hun tongen worden uitgetrokken en hun botton worden gebroken)
  9. Yugmaparvata, de toeklappende rotsen hel. Mensen die doden, die andere mensen en levende wezens kwaad doen. (de zielen worden geplet tussen de dichtklappende rotsen)
  10. Nirucchvasa, Niet Ademen hel. Gekken, gewelddadigen, zij die misbruik van vertrouwen maken, zij die vrouwen en kinderen doden. (de zielen worden vastgebonden met touwen, met doornige takken behandeld en op een brandstapel geplaatst)
  11. Uccvasa, Laatste Adem Uitblazen hel. Mensen die zich misdragen; die zich volstoppen met eten; die onrein vlees eten. (de zielen worden vastgebonden en met grote knotsen geslagen)
  12. Dravattrapu, Vloeibare Tin hel. Mensen die grond, huis, woning van anderen inpikken. (de zielen worden in een basin met gesmolten lood gezet)
  13. Taptalaksamaya, Hete hel. Mensen die anderman’s huis in brand steken, die een bos in brand steken en vergif geven aan iemand anders. (de zielen worden tegen doornige bomen geduwd en vastgebonden of geroosterd)
  14. Asthibangga, Bottenbreek hel. Mensen die tuinen, huizen, vijvers, putten, schuilplaatsen, allerlei soorten behuizingen, heilige badplaatsen beschadigen en onwettelijke dingen doen. (de botten van de zielen worden kapot geslagen en knotsen worden in hun monden geduwd)
  15. Krakaccheda, Zaagsplijt hel. Smulpapen. (de bottten van de zielen worden verpletterd door zware knotsen; hun kaken worden verpletterd)
  16. Puyapurnahrada, Vol Pus Poel hel. Mensen die sterke drank stelen, anderman’s vrouw en de vrouw van hun leermeester oneerbaar bejegenen. (roofvogels pikken de zielen met hun snavels; de zielen worden in een zee van stinkende pus gegooid)
  17. Asrkpurnahrada, Vol Bloed Poel hel. Mensen die vlees stelen, anderman’s vrouw, of de echtgenote van hun leermeester. (de zielen worden geslagen en dan in een zee van bloed gegooid)
  18. Medohrada, Vetpoel hel. Zij die begeerte hebben….. (beschadigd). (de zielen, hoofdzakelijk van vrouwen, worden bij hun haar meegesleurd en in een zee van merg en pus gegooid)
  19. Tiksnayastunda, Scherpe Staalpunt hel. Mensen die offers meepikken, die niet voor hen bestemd zijn; die rijst stelen. (de zielen hebben opgezwollen magen, zij worden geslagen met knotsen)
  20. Anggaricaraya, Draagbare Vuurplaats hel. Mensen die dorpen, steden, parken voor heilige runderen in brandsteken; mensen die plassen en poepen op heilige plaatsen. (ze zielen worden in een stapel gloeiende houtskool gegooid)
  21. Ambarisa, Koekenpan hel. Mensen die andermans vrouw aborteren; die de vrouw van een vriend benaderen. (de zielen worden vastgebonden, gestoken met messen en dan in netten gegooid)
  22. Kumbhipaka, Kookpot hel. Mensen die het vertrouwen van de koning beschamen; die goederen van hun leermeesters, van armen, van geleerde brahmanen stelen. (de zielen worden in kookpotten gegooid)
  23. Talavrksavana, Palmyrabomenbos hel. Mensen die bomen omhakken die niet omgehakt mogen worden; die bomen op heilige plekken, of bomen voor goden omhakken of dergelijke plaatsen ontheiligen. (de zielen krijgen een touw om hun nek, sommigen hangen onderste boven aan een boom)
  24. Ksuradharaparvata, Scheermes scherpe Berg hel. Mensen die olifanten, paarden, wagens, schoenen stelen, die minachting hebben voor wijze mensen, en objecten voor de eredienst. (de zielen worden opgehangen aan bomen, waaronder een vuur brandt; anderen worden fijngewreven/gehakt in een grote vijzel)
  25. (beschadigd). Mensen die anderen kwetsen, minachten, parasols en sandalen stelen. (de zielen worden op een rooster met vuur gegooid)
  26. Sucimukha, Naaldpunt hel. Mensen die…. (beschadigd) (de zielen worden aan touwen opgehangen, dan op de grond gegooid en geslagen)
  27. Kalasutra, Zwarte Draad hel. Mensen die stoken onder vorsten en jaloers zijn op hun rijkdom. (de zielen worden gespiest en dan geroosterd)
  28. Mahapadma, Grote Lotus. Mensen die bloemen stelen…. (beschadigd) )de zielen worden geroosterd, verscheurd door roofvogels, opgehangen aan doornige bomen en volgeschoten met pijlen)
  29. Padma, Lotus. Mensen die bloemen stelen, bloemen uit de tuin van god Siva plukken…. (beschadigd) (de zielen worden aan bomen vastgebonden; spijkers worden in hun hoofden geslagen met een grote hamer; anderen worden door honden en roofvogels aangevallen)
  30. Sanjivana, Antidote, Levenselixer hel. Alle grote criminelen. (de benen van de zielen worden aan twee bomen vastgemaakt, vervolgens worden ze onderste boven opgehangen boven een vuur; anderen worden bij de nekken opgehangen terwijl zij aangevallen worden door roofvogels)
  31. (Beschadigd) (de zielen worden opgepakt met tangen; een staaf wordt in hun monden gedreven)
  32. (Beschadigd) (de tongen van de zielen worden uitgetrokken met tangen)
  33. Sita, Koude hel. Mensen die stelen hebben het altijd koud. ((de zielen bevriezen in koud water; hun armen zijn vastgebonden op hun borst)
  34. Sandratamah, Compact hel. Mensen die toortsen stelen; onreinen; leugenaars. (de ogen van zielen worden uitgestoken; andere zielen worden doorboord door nagels, opgehangen, terwijl er gewichten aan hen gehangen worden)
  35. Maharaurava, pestherrie hel….. (beschadigd) (de zielen worden opgehangen aan hun handen, terwijl er zware gewichten aan hun voeten hangen; anderen worden doorboord door nagels)
  36. Raurava, herriehel. Mensen die uit de gunst zijn, die in ballingschap leven, die hun schulden niet betalen. (de zielen worden vastgebonden en geroosterd boven vuur)

Terug naar Hellen en straffen

Terug naar “boven”