27 27 3 0 0

Ketut-24.8.08

OVER DE BALINESE DANSEN – H.I.R. Hinzler, 27 maart 2012

TARI BARIS GEDE – BARIS GEDE /GEDÉ

Baris dansen zijn rijdansen (baris betekent rij), waarin mannelijke dansers, opgesteld in rijen en gewapend met een lans, kris of schild bewegingen op de plaats uitvoeren, die excerceren suggereren. De naam van het specifieke wapen, of de legerrang van de uitvoerder wordt over het algemeen achter het woord baris gevoegd: baris tumbak (met een lans), baris bajra (met een bajra), baris demang (hoffunctionaris gewapend met groot zwaard). In veel dorpen is een specifieke baris, die uitsluitend bij een dodenritueel wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld in Krambitan in de provincie Tabanan de Baris Cerak Goak met een groep mannen gekleed in bladeren, die bomen voorstellen en een man gekleed als generaal en een die gekleed is als kraai. Deze moet een ei dat verstopt is tussen de bomen zoeken. Het wordt verdedigd door de generaal, of de Baris Dadap, waarbij de krijgers, die een kris en een dun, langwerpig schild, dadap, vasthouden. Zij begeleiden de dode naar de crematieplaats en diens ziel naar het hiernamaals). In andere dorpen wordt een specifieke baris bij tempeljaardagen om een processie met de vergoddelijkte voorouder te escorteren uitgevoerd.

Van der Tuuk geeft in zijn Kawi-Balineesch-Nederlandsch woordenboek, samengesteld tussen 1870 en 1894, een fraaie verklaring: Baris, soort van opgedirkte wapenknechten, die bij feestgelegenheden met lans en kris, enz een soort exercitie uitvoeren.

Kenmerkend voor de kleding van de deelnemers zijn: als hoofddeksel een driehoekige witte steek bezet met parelmoeren wybertjes op een veertje, die op en neer bewegen tijdens de dans. Een jakje met lange mouwen waarover een borststuk, meestal rood, met twee of meer afhangende lange flappen en een lange witte broek.

Toen er, vanaf 1970 veel toeristen naar Bali kwamen, is men begonnen een aantal baris dansen te commercialiseren. Daaronder valt de Baris Gede, ook wel Baris Tumbak genoemd, omdat de dansers een lans, tumbak vasthouden. Hij wordt wel uitgevoerd aan het begin van een voorstelling als introductie van de overige dansen en dansers.

Er is ook baris dans ontwikkeld voor één danser, de Baris Tunggal (tunggal betekent: in je eentje). Die wordt geleerd aan kleine jongetjes, hoe jonger hoe beter. Als er een tempeljaardag in het dorp is, geven de kinderen meestal de dag voor het hoogtepunt van het feest, een dans- en muziekuitvoering bij de tempel. Iedereen komt dan kijken. Om een topprestatie te leveren, worden kinderen al heel jong, vanaf hun derde jaar, naar dansles gestuurd.

FOTOS MAP BARIS

1. Baris Cerak Goak, Krambitan, begeleidt de stoet met de overleden Anak Agung Anom Mayun uit Puri Gede naar de crematieplaats, 2009.

2. Baris Dadap, Krambitan, begeleidt de stoet met de overleden Anak Agung Anom Mayun uit Puri Gede naar de crematieplaats, 2009

3. Baris Tumpak, jongetje uit Amlapura, tijdens optreden Arts Festival in Denpasar, 2011

4. Barus Tunggal, jongetje uit Krambitan op dansles in Krambitan. Hij bereidt zich voor op de uitvoering de dag voor de jaardag van de tempel in zijn wijk. 2010

5. Barus Tunggal, twee jongens uit Krambitan op dansles. Het kleinste jongetje, Nugi, is de zoon van de dansleraar. Hij is drie jaar oud. Ze bereiden zich voor op de uitvoering de dag voor de jaardag van de tempel. 2010

6. Baris Tunggal, door Gung Anom, Ubud. Voorstelling voor toeristen. 2010
Hij was in 2010 in Den Haag op de Tong Tong Fair.

KEBYAR GONG – KEBYAR DUDUK – DANS EN MUZIEK
Wat hiermee bedoeld wordt is mij niet geheel duidelijk. Het is mogelijk dat het gaat om een muziekstuk in kebyar stijl. Dan is het logische om te spreken over Gong Kebyar.

Een aantal muziek ensembles wordt in Bali aangeduid met de naam gong of gamelan gong. Daarop volgt een specifieke naam om aan te duiden om welk type ensemble het gaat. Bijvoorbeeld Gamelan Gong Gede, Gamelan Gong Gede, Gamelan Gong Dewa. Gamel, ook wel gespeld als gambel, betekent “iets hanteren”, in het geval van muziek maken slaat het op het hanteren van een slaghout (hamer of stok met ronde knop of stok omwonden met een katoenen draad) waarmee op een instrument geslagen wordt. Een gamelan is dus een instrument dat bespeeld wordt met een slaghout. De meeste instrumenten zijn voorzien van toetsen of gongs, in diverse formaten, gemaakt van klokkenmetaal (een mengsel van koper, zink, ijzer en soms een beetje goud), of hebben de vorm van een trommel. In Bali komen de instrumenten inclusief de trommels in paren voor. Er is een mannelijk en een vrouwelijk instrument, de stemming verschilt een beetje, zodat als de zelfde toetsen worden aangeslagen er een zweving ontstaat. Dat vinden Balinezen mooi. Van oudsher worden muziekinstrumenten bespeeld door mannen, maar sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn er ook wel vrouwen gamelanorkesten. Zij spelen meestal niet bij religieuze festiviteiten, maar wel op festivals. Het hangt van de progressieviteit van een dorp of stad af of zij vrouwen toelaten.

De gamelan Gong Kebyar is ontstaan in Noord-Oost Bali en verder uitgewerkt in heel Noord Bali rond 1910-1915 uit het Gong Gede ensemble. Kebyar betekent bliksemschicht. Men ging nieuwe melodieën of flitsende, snelle wijzen spelen. Er werden ook veranderingen aangebracht in de manier waarop de metalen toetsen boven de bamboe buizen – die als klankkasten fungeren – gemonteerd werden. Ze werden “hangend” (gantung) bevestigd, in plaats van liggend en vastgehouden (pacek) door twee metalen spijkers door gaatjes in de toets. Het is een vijftoons ensemble. Het werd niet gebruikt, zoals de Gong Gede, voor spelen van rituele muziek en dans, maar voor het begeleiden van dansen die ter ontspanning dienden. Tegenwoordig zijn er nog maar weinig echte Gong Gede ensembles. De meeste oude ensembles zijn omgebouwd tot Gong Kebyar ensemble. De bekendste danser die ervoor zorgde dat Gong Kebyar populair werd, zodat bijna alle Gong Gede’s werden omgebouwd en hangende toetsen kregen, was I Ketut Maria. Omdat hij uit de provincieTabanan kwam, waar de “a” op het eind van een woord als een korte o (als in pot) wordt uitgesproken, werd zijn naam door Westerse toeristen en onderzoekers geschreven en uitgesproken als Mario. Dat is zo gebleven. Tegenwoordig spreken Balinezen de naam ook zo uit. De Gong Kebyar is bedacht in het westen van Noord-Bali, maar werd al gauw populair in andere delen van Bali. Allereerst in de provincie Tabanan. Er was al heel lang samenwerking tussen artiesten uit Noordwest Bali en de dorpen Krambitan en Tabanan in de provincie Tabanan. In de stad Tabanan werd Mario in 1925 aangetrokken in dienst te komen van een van de Gusti’s van Jero Subamia als danser en leider van zijn orkest. Van daaruit verspreidden de muziek en de nieuwe dansen zich over de andere provincies van Bali.

De Kebyar Duduk dans werd in 1925 gemaakt door Mario. Hij werkte samen met componist Wayan Sukra. Duduk betekent zitten of hurken. Mario’s specialiteit was een danser zittend of hurkend bewegingen te laten maken. Deze solo dans is beroemd geworden. Hij wordt voornamelijk door jongeren uitgevoerd. Jongetjes vanaf 4 jaar leren deze dans al. Het is een prestige dans geworden. Aan de vooravond van een tempeljaardag voeren jongetjes hem op.

FOTOS MAP GAMELAN

1. Gamelan Gong Kebyar, spelend bij een tempeljaardag van de Pura Puseh-Desa in Krambitan, prov. Tabanan.

2. Jongetjes (lagere school leeftijd) spelen op een Gong Kebyar tijdens een tempeljaardag in Pura Puser ing Jagat in Intaran, prov. Gianyar.

3. Jongetje speelt op een gangsa van een Gong Kebyar tijdens een tempeljaardag in Pura Puser ing Jagat in Intaran, Gianyar.

4. Jongetje repeteert op een gangsa bij Pura Bale Gong in Kambitan, prov. Tabanan.

FOTOS MAP KEBYAR DUDUK

1. jongen, lid van de kinder dans en gamelangroep van Museum Arma in Ubud, danst Kebyar Duduk tijdens een voorstelling aan het strand in Sanur.

2. Jongetje heeft Kebyar Duduk les in Krambitan.

3. Ketut Maria, alias Mario, foto

OLÈG TAMBULILINGAN, meestal fonetisch gespeld als TEMULILINGAN, of TEMBULILINGAN

Deze dans is bedacht door Ketut Maria/Mario in 1952. Een Tembulilingan is een hout-borende hommel, maar in gedichten en ook in de dans treedt hij als bij op. Het verhaal dat ik hoorde over het ontstaan van de Oleg Tambuliling dans van A.A. Made Djelantik is als volgt. Mario moest een nieuwe dans ontwerpen voor een optreden met impressario John Coast in Amerika. Hij had geen inspiratie. Op een avond lag hij te sluimeren in zijn bale (een gebouwtje bestaande uit een soort hemelbed, afgesloten aan alle kanten door gordijnen. Hij werd wakker door het geluid van een twee bijen die elkaar achterna zaten. De manier van bewegen en rondvliegen gaf hem inspiratie voor zijn nieuwe dans. De vrouwtjes bij (gedanst door een vrouw) komt het eerst op. Na een lange introductie komt het mannetje, de dar, op (oorspronkelijk gedanst door een man, tegenwoordig ook wel door een vrouw), waarna zij samen een soort pas de deux dansen. Het woord oleg is oorspronkelijk een Tabanans woord voor een soort dansers die op muziekinstrumenten van bamboe (bungbung) dansen. In de stad Tabanan wordt Mario geëerd door een standbeeld van de beide Oleg dansers, dat voor het Dans en Muziek Gebouw, de Gedong Mario, staat.
Meisjes en jongens in Bali van een jaar of 12-14 leren deze dans om te vertonen tijdens de festiviteiten rondom de tempeljaardag. Zij leren de dans op dansles. In hotels en restaurants wordt de dans vaak uitgevoerd voor toeristen.

FOTO MAP OLÈG

1. Standbeeld van Oleg Tambulilingan dansers voor de Gedong Mario in Tabanan. De sjerpjes die de danseres omhoog houdt stellen de vleugels van de bij voor. De geknielde figuur met de waaier is de mannetjes bij.

2. Twee meisjes die de Oleg Tambulilingan uitvoeren in een Restaurant in Sanur.

JAUK MANIS

De Jauk maskerdansen, er zijn twee varianten, een ruwe en een liefelijke, zijn ontworpen door de danser Nyoman Kakul uit Batuan in 1905. Oorspronkelijk hoorden jauk’s of omang’s, als een soort komieken, bij de entourage van een boze reuzenkoning-met-slagtanden, Ratu Gede Macaling, die over het eilandje Nusa Penida ten oosten van Bali heerste. Hij kwam een keer aan land in Kuta in Bali met zijn volgelingen, omang, die de gedaante hadden van kleine demonen in verschillende kleuren. De vorst zelf nam de gedaante van een barong, soort leeuw, aan. De Balinezen maakten ook snel een barong en omangs om de slechte barong weg te jagen. Het thema goede-slechte barong, demonische dienaren, werd later gebruikt in gemaskerde theateropvoeringen met heldenverhalen. Hieruit heeft Kakul geput voor zijn beide solo dansen. Hij liet de dansers een masker met grote ronde ogen dragen, gaf ze handschoenen met heel lange nagels, en een hoge kroon, net als de hoofdtooi van een Baris danser, bezet met stukjes hout op veertjes en driehoekige stukjes parelmoer afhangend van de rand, die bewegen tijdens de dans. De dans en de danser kregen de naam Jauk. (oorspronkelijk is een jauk een stokje met wat lijm op het uiteinde, waarmee je insecten kunt vangen). Er is een Jauk Manis (manis = liefelijk, zoet) variant, waarin de danser een jonge, demonische man die verliefd is voorstelt, maar helaas er is geen geliefde voor hem. De Jauk Keras (keras = wild, onbeheerst) is een militante man die krachtige bewegingen maakt, alsof hij wil gaan vechten.

Jauk dansen worden vertoond aan de vooravond van een tempeljaardag door wat oudere solo-dansers voornamelijk in de regio Denpasar-Ubud, maar ook in hotels en restaurants voor toeristen.

FOTOS MAP JAUK

3 afbeeldingen Jauk danser, tempeljaardag in Pura Dalem in Batuan.

LÈGONG KRATON

Oorspronkelijk, in ieder geval tot het eind van de 19e eeuw, is lègong een benaming voor een bepaalde manier van dansen door een aantal vrouwen. Zij dansen niet om mannen uit te nodigen samen met hen te dansen (ngibing). Er bestond in Bali, vanaf wanneer is nog niet duidelijk, een voort opera, gambuh, waarin stukken uit de Malat werden opgevoerd. De opera was vooral populair aan de hoven. De hoofdpersoon van de Malat is een Javaanse prins Panji, een soort dolende ridder die vorsten in nood helpt, prinsessen die ontvoerd zijn opspoort en zelf verliefd is op een haast ongrijpbare geliefde. Het verhaal en het toneelspel komt uit Java, maar het is op Bali verder ontwikkeld. Wanneer in een gambuh verhaal een prinses op moet komen, wordt zij eerst ingeleid door een dans van haar dienares, de condong. Pas daarna komt de prinses, of komen twee prinsessen op. Deze scene is op een gegeven moment uit de opera gelicht en als aparte dans gebracht. In Karangasem werd de gambuh onder de laatste stedehouder, I Gusti Bagus Jelantik (vroeger gespeld als Djelantik; 1808-1941) populair en ook de dans van de prinses met haar bediende. De vorst van Karangasem was goed bevriend met de Sultan van het Mangkunegara paleis in Solo. I Gusti Bagus Jelantik en Mangkunegara VII (1916-1944) spraken samen over vernieuwingen in de traditionele hofdansen. Dansers en danseressen uit Karangasem werden vaak uitgenodigd om in Solo op te treden. Zo werd in de kraton van Solo de dans van de prinses en de lègong opgevoerd uit de Gambuh. Die kreeg daarna de naam Lègong Kraton.

De beide danseressen kunnen, zonder van kleren te verwisselen, ook een verhaal uitbeelden, dat niet specifiek aan de Malat ontleend hoeft te zijn. Het verhaal uit het Ramayana over de ontvoering van Sita, of een verhaal over Arjuna worden ook vertoond. De rollen die zij spelen kun je aflezen aan hun dansbewegingen. De groep uit Bali voert een verhaal uit de Malat op. Het is de episode over de koning van Lasem. Deze had een prinses uit Daha in Oost-Java, Langkésari, ook wel gespeld als Rangkésari geschaakt. Prins Panji werd te hulp geroepen door haar oudere broer, de vorst van Kediri, om haar op te sporen en terug te brengen. Een gevecht tussen Lasem en de tegenpartij is op handen. Als de vorst van Lasem zich naar het strijdperk begeeft vliegt er een kraai in de lucht boven zijn hoofd. Dat is een slecht voorteken. Lasem zal sterven in de strijd.

De danscostuums van de danseressen zijn als volgt. De prinses heeft een diadeem op het hoofd. Aan twee kanten, ter hoogte van de oren, steekt een staaf uit waaraan witte bloemen van de Kamboja boom bevestigd zijn. Ook op de bovenrand van de diadeem zijn dergelijke bloemen bevestigd. Het bovenlichaam is bedekt met een witte bloes. Op de borst hangt een brede lange slip, een soort loper af. Het heupkleed heeft een lange sleep die tussen de benen door naar achteren valt en over de grond sleept tijdens het dansen. De dienares ziet er bijna hetzelfde uit, op de loper op haar borst na. Die bestaat uit twee lange losse slippen. Zij is de meest actieve van de danseressen, ze loopt heen en weer, hurkt etc.. De prinses beweegt langzaam en statisch. De dans wordt tegenwoordig uitgevoerd door jonge meisjes aan de vooravond van een tempeljaardag en door jongere en oudere danseressen tijdens opvoeringen voor toeristen in een klein theater of in een hotel-restaurant.

FOTOS MAP LÈGONG KRATON

1. Legong Kraton, de prinses komt op, Sukawati, tempeljaardag, 1985
2 Legong Kraton, de prinses danst, Sukawati, tempeljaardag, 1985
3 Meisje leert bewegingen van de condong in Hotel Tanjung Sari in Sanur tijdens de zondagse gratis danslessen voor de kinderen uit de buurt. De dansleraar is een gepensioneerde oudere danser.

JOGÈD BUNGBUNG

Een ensemble bestaande uit bamboe buizen, aan een kant open, die horizontaal in een rek hangen heet gamelan bungbung. Een bungbung is een naam voor zo’n bamboe buis. Een dergelijk instrumentarium begeleidt danseressen die uitgenodigd worden tijdens een feestelijke avond na een ceremonie van kinderen (bijvoorbeeld de driemaandsdag), maar vooral na een huwelijk. Tegenwoordig wordt een bungung ensemble ook uitgenodigd om het jaarfeest van het oprichten van een Koöperatie te vieren. De holle buizen zijn een symbool van vruchtbaarheid. De instrumenten begeleiden danseressen, meestal drie of vier. Die treden afzonderlijk op. De danseres komt op met een introductie dans, daarna nodigt ze een jonge of oudere man uit het publiek uit om met hen te dansen. Als ze vindt dat het genoeg is, geeft ze de danser een hand waarna ze een volgende man of jongen uitkiest. Als haar danstijd om is, verlaat ze het podium, waarop de volgende danseres verschijnt. Het uitnodigen en samen dansen heet ngibing.

De danseressen maken nogal sexy bewegingen waarmee ze de heren uitdagen en deze gaan daar op in. De bedoeling is dat de dansbewegingen grappig moeten zijn, zodat iedereen moet lachen. Heel populair is “man slaat dame met takjes met bladeren”, waarna “dame heer slaat met dito takje”. Die scene is waarschijnlijk ontleend aan de Calon Arang opvoeringen. Een minister van de koning slaat diens verloofde met twijgen, nadat is ontdekt dat haar moeder aan zwarte magie doet

FOTOS MAP JOGÈD BUNGBUNG

ensemble met spelers uit Krambitan, de gelegenheid tot spelen was een huwelijk.
2-8 een danseres met een danser uit het publiek, ngibing.

CALON ARANG

De Calon Arang is een theaterstuk dat bestaat uit toneel, dans, zang en gesproken woord begeleid door een muziek ensemble, tegenwoordig meestal een gong kebyar. Het verhaal dat wordt opgevoerd is ontleend aan een in het Middel-Javaans geschreven proza tekst over de weduwe (rangda) van Dirah, ook wel gespeld als Jirah. Dat is een dorp in Oost Java in het rijk Daha, waarover Koning Erlangga heerst. Erlangga is een historische koning, die een Balinese vader en een Javaanse moeder had. Hij werd opgevoed aan het Javaanse hof. Zijn overlijdensdatum is 1049 A.D. De tekst is later dan 1500 geschreven, maar het is niet zeker wanneer precies. Het tot nog toe oudste handschrift dateert uit 1540 A.D. Er zijn in de loop der eeuwen verschillende Javaanse en vooral Balinese versies van het verhaal geschreven. De verering van de godin Durga, de gemalin van Siwa die vervloekt was gedurende enige tijd, tot haar verlossing, als demone met haar leerlingen op een crematieplaats te wonen speelt een belangrijke rol in het verhaal. Calon Arang is de naam van een spreuk, mantra, waardoor men iets kan vernietigen en weer geheel herstellen. Hij verwijst naar de specialiteit van de weduwe van Dirah en werd de bijnaam van deze dame. Het verhaal wordt veel dorpen in Zuid-Bali opgevoerd in de avond als besluit van de tempeljaardag.

Het geschreven verhaal speelt zich af in Daha, Oost Java, waar koning Erlangga heerst. In zijn rijk in het dorp Girah woont een weduwe, rangda. Haar enige dochter, Ratna Manggali is erg knap, maar niemand durft om haar hand te vragen, want het is algemeen bekend dat de moeder slecht was. De weduwe besluit, met haar boek, naar de crematieplaats te gaan om de godin Durga om hulp te vragen om iedereen in het land te mogen vernietigen. Haar leerlingen, Zwijnskop, Buffelkop, Lende, Guyang, Larung en Gandi gaan mee. Ze gaan dansen op het kerkhof. Durga komt met haar gevolg en ze dansen mee. De Weduwe krijgt toestemming om mensen in het rijk te doden, maar niet allemaal. De Weduwe gaat terug, veel mensen in Girah worden ziek, sterven. Overal zijn lijken. De Rijksbestierder, Patih, meldt dit aan koning Erlangga. Die geeft opdracht de Weduwe te doden. Soldaten gaan op pad, ze komen ’s avonds bij het huis van de Weduwe. Iedereen slaapt. Dat is de juiste tijd om haar op te pakken. Als een soldaat haar vastgrijpt bij de haren en met zijn dolk wil toestoten, wordt Calon Arang wakker. Ze schrikt. Uit haar neusgaten, mond en oren komt vuur, dat de soldaat verteert.Twee andere soldaten sterven ook. De overige vluchten. De boze Weduwe en haar leerlingen gaan weer naar de crematieplaats om te dansen en een plan te beramen. De leerlingen moeten ieder naar een bepaalde hemelrichting gaan, oost-zuid-west-noord, en de Weduwe naar het Centrum, om ziekten te verbreiden. Voor ze vertrekken willen ze zich wassen en mooi maken. Er ligt nog een lijk op de crematieplaats. De Weduwe brengt het tot leven. Daarna hakt ze zijn kop af. Het bloed gebruikt zij om zich mee te wassen. De darmen gaat zij als kastekoord en halssnoer daragen. De romp wordt gebruikt als offer aan alle geesten van de crematieplaats en in het bijzonder voor Durga. Deze komt uit haar tempel en vraagt wat er aan de hand is. De Weduwe legt uit dat de koning boos geworden is. Ze vraagt Durga toestemming om het hele rijk te vermietigen. De godin stemt in. De Weduwe en haar leerlingen gaan op pad. Overal waar zij op viersrpongen in dorpen dansen, worden mensen ziek en sterven. Raven vliegen rond en pikken in de lijken.
Dit wordt gerapporteerd aan de koning. Er volgt een vergadering met zijn ministers en geestelijken. Voorgesteld wordt dat een zekere Bahula, een kluizenaarsleerling en geleerde, om de hand van Ratna Manggali zal vragen. Bahula gaat op stap, hij heeft een gesprek met de Weduwe. Deze keurt het goed dat hij met haar dochter trouwt. Bahula merkt op dat de Weduwe elke avond verdwijnt met een boek. Hij vraagt Ratna Manggali wat haar moeder uitvoert, hij wil mee. Ratna Manggali verklapt hem daarop haar moeders geheim: ze leest in het boek met toverformules om te leren hoe ze de mensen in het rijk kan doden. Bahula wil weten wat er in het boek staat. Als de Weduwe een keer weg is, steelt hij het boek en leest het. Hij is verbaasd, want er staat niets slechts in. Hij laat het zien aan zijn leermeester, de geestelijke Bharadah in Lemah Tulis. Die leest het boek ook: het is een handleiding tot zeer goede levenswandel! Hoe is het toch mogelijk dat de Weduwe er zulke negatieve resultaten mee bereikt. Bharadah besluit mee te gaan naar Girah om de zaak uit te zoeken. Onderweg komt hij langs velden vol net gestorven mensen. Als hij ze aanraakt komen ze tot leven, zolang ze nog niet in ontbinding verkeren. Aangekomen op de crematieplaats bij Girah, ontmoet hij de leerlingen van de Weduwe. Zij begroeten hem eerbiedig. Zij vragen een gunst van hem: zij willen dat hij hen van hun zonden bevrijd. Bharada zeg dat dit niet kan zolang hun meesteres, Calon Arang nog niet bevrijd is. De Weduwe is op dat moment bij de tempel om Durga te vereren. De godin waarschuwt de Weduwe: pas op, uw ondergang is op handen. Daarna volgt een ontmoeting met Bharadah. Hij wijst de Weduwe erop dat zij veel zonden heeft begaan en dat het moeilijk zal zijn haar daarvan te bevrijden. Het kan niet zomaar. De Weduwe wordt woedend. Zij wil Bharadah met haar toverformulieren doden. Zij gaat dansen, op haar handen, haar haar los, haar ogen puilen uit. Als voorproefje van haar krachten verbrandt ze even met haar blik een grote waringin boom. Daarop wil zij een tovermiddel om te vermoorden toepassen: vuur uit haar ogen, neus, oren, mond, vlammen uit haar hele lichaam, richting Bharadah. Hij blijft ongedeerd, maar de Weduwe sterft. Bharadah bedenkt dan dat hij haar nog niet verteld heeft hoe ze verlost kan worden van haar zonden. Hij brengt haar weer tot leven. De Weduwe wil graag weten hoe ze verlossing kan bereiken. Nadat zij onderricht is door Bharadah, sterft zij weer. Haar lijk wordt gecremeerd door hem. Nu is ze verlost. De leerlingen van de Weduwe geven zich over aan Bharadah. Koning Erlangga komt op bezoek in Girah, want de plagen in het land zijn over. De koning wil een beloning aan de asceet geven. Deze wil dat niet. Hij de kwade geest en de slechtheid van de Weduwe weer goe maken. Daartoe moet een tempel in Girah gebouwd worden. Koning Erlangga keurt het plan goed. Hij betaalt alle kosten.
Wat later gaat Bharadah naar Bali, waar hij onderricht geeft. Als er in Java een twist uitbreekt tussen de vorsten van Jangagla en Kadiri – zoons van Erlangga- wordt hij teruggeroepen door Erlangga om te bemiddelen. De vorsten leggen hun ruzie bij. Kort daarna sterft Bharadah, hij stijgt ten hemel.

De thema’s uit het verhaal: dochter kan niet trouwen omdat moeder aan zwarte magie doet; moeder probeert door negative handelingen iets voor haar dochter te bereiken; moeder beïnvloed anderen in haar omgeving om ook slecht te worden; moeder leest boek dat in principe goed teksten bevat, maar zij gebruikt ze verkeerd – leest ze achterste voren; boosheid wordt zichtbaar gemaakt door vuur, vurige ogen, lange haren, je wassen in bloed, darmen om je nek en lijf hangen; geestelijke brengt de negatieve zaken op orde en zorgt dat de slechtaards verlossing krijgen, er is dus nog hoop voor mensen die een misstap begaan hebben; geestelijke wil geen beloning voor zijn hulp van de koning, maar vraagt om een tempel te bouwen om het gebeurde te blijven gedenken, worden in Zuid Bali nog steeds gebruikt bij de Calon Arang opvoeringen in bijna alle tempels tijdens de viering van de jaardag, odalan. Dat is de dag waarop de tempel gesticht is. De uiterlijke kenmerken van de Rangda (zij wordt ook Jero Luh, de Eerbiedwaardige Vrouwe, genoemd) zijn: masker (rood als ze een jonge vrouw moet voorstellen, wit als zij een oudere vrouw is, in sommige dorpen, zoals Batuan, zwart) met rode uitpuilende ogen; open mond met slagtanden; haar afhangend tot de grond (naturel kleurig, wit, bruin, rood, afhankelijk van de traditie in het dorp) met boven op het hoofd van leer gemaakte vlammetjes in drie rijtjes naast elkaar; uitpuilende tong, van leer gemaakt, bezet met goudkleurige vlammetjes; afhangende slappe borsten; darmen (van rode en zwart-wit geblokte stof) als halskettingen; een rode ikat, kain cepuk, voor haar buik en schaamdelen (het weefsel mag alleen op Nusa Penida gemaakt worden, waar de demonische Grote Vorst met de Slagtanden, Ratu Gede Macaling, leefde), lange broek met rode en zwarte biezen. Om de borst, onder het jasje, is een dikke laag dicht geweven stof gewikkeld, dat dient als een “steekvrij vest”. De Rangda wordt altijd door een man gespeeld. Deze moet bepaalde inwijdingen hebben ondergaan voordat hij het masker mag opzetten. De moederfiguur, wordt ook altijd door een man gespeeld, maar deze hoeft geen wijding te hebben ondergaan. De Rangda is op Bali niet uitsluitend een slecht wezen. Ze kan je helpen, als je in problemen zit. Vaak is er een medium verbonden aan de Rangda. Via haar kun je je probleem aan de Rangda voorleggen. Je kunt offers aan haar geven om iets te bereiken. Soms komt er water uit de tong. Dat wordt opgevangen en vermengd met wijwater. Bezoekers van de tempel waarin het masker van de Rangda bewaard wordt, kunnen met dit wijwater geholpen worden. Ook het waswater van de haren van de Rangda wordt gebruikt als wijwater. De gevechten tussen de beide partijen veroorzaken bij kijkers uit het publiek aan in Zuid-Bali, trance. Meestal gebeurt dat bij mannen, maar de laatste jaren ook bij vrouwen. De mannen krijgen een kris (een speciale), waarmee zij de Rangda gaan steken. De Rangda zelf is ook in trance. Beide partijen voelen geen pijn, krijgen geen wonden van de krissteken. Het gevecht eindigt zonder nederlaag. Op een gegeven moment geeft de Rangda aan dat het genoeg is geweest. Zij loopt terug naar de tempel. De mannen die nog in trance zijn gaan dan zich zelf met hun krissen steken, dat heet ngurek. Pas nadat de film Insel der Dämonen verscheen in 1931 (gemaakt door Friedrich Dalsheim en Victor von Plessen, een goede vriend van Walter Spies) werd de Barong ingevoerd in het Calon Arang spel. Dit is ten dele te danken aan Walter Spies, die toen in Campuan bij Ubud woonde en bemiddelde bij het maken van de film. Voor de film was het spectaculair als de goede partij transformeerde in een Barong, die de Rangda bevocht. In de loop van het gevecht raken de twee mannen die de Barong dragen in trance. Zij krijgen dan een kris om erbde Rangda mee aan te vallen. In de regio Ubud ging men bij de toeristische en rituele Calon Arang de Barong toepassen. In de provincie Tabanan, met name in Krambitan, wilde men dat niet. Pas toen de Calon Arang theatergroep uitgenodigd werd in het Arts Centre in Denpasar te spelen, zijn zij daarmee begonnen. Dat was eind jaren ’70 van de vorige eeuw. Er was eerst veel weerstand om de Barong ook te gebruiken bij de tempeljaardag, maar nu niet meer.

De groep uit Denpasar speelt de volgende variant:

Ratna Manggali is teruggestuurd naar Dirah, nadat de koning met wie ze zou gaan trouwen, ontdekte dat haar moeder aan zwarte magie deed. (De versie op Bali is dat het meisje de verloofde is van Koning Erlangga). De Weduwe stuurt haar leerling Rarung (=Larung) naar Kediri om het rijk schade toe te brengen. Rarung ontmoet de minister van de koning, Patih Madri. Rarung bezit een tovermiddel, Pudak Sategal, waarmee ze zich kan veranderen in een aantrekkelijk jong meisje. Zij past het toe, zodat de Patih erg verliefd op haar wordt. Zij wil daar alleen aan toegeven, als de Patih ervoor kan zorgen als zij het afgehakte hoofd van Erlangga als voetenbankje krijgt. Madri wordt boos als hij dat hoort. Er ontstaat een gevecht. Rarung transformeert in een grote vogel, die eerst de ogen van de Patih uitpikt en hem daarna doodt.
Rarung keert terug naar Dirah. Samen met de Weduwe voert zij op de crematieplaats (Setra Ganda Mayu) en ritueel uit op da er ziekten komen in Kediri. Veel mensen sterven. Koning Erlangga wordt boos. Hij stuurt zijn Patih Taskara Maguna naar Dirah. Er vindt een confrontatie tussen hem en de Rangda plaats. Beiden passen hun magische krachten toe, de Patih zijn witte magie (dharma sadu) en de Weduwe haar zwarte magie (Dharma Weci). Zij transformeert in een geweldig grote demon, met het uiterlijk van de godin Durga. De Patih transformeert in een positieve reusachtige figuur: de Barong, Banaspati Raja, Heer van het Woud. Dit is onder andere een benaming voor een aspect van god Siwa. Hierna verslaat de goede reus de slechte.

FOTOS MAP CALON ARANG

Rangda met wit masker in trance voor een van de dragers van de Barong, tijdens toeristenvoorstelling in Puri Gede in Krambitan.

Rangda met wit masker in een toeristenvoorstelling in de Pura Dalem in Ubud

Rangda met zwart masker, Odalan Pura Dalem, Batuan

4-6 Rangda, wit masker, van voren gezien, groep Cudamani uit Ubud in Nederland

Rangda, in Arjunawiwaha opvoering, ubud

Rangda gekrist door een van de dragers van de barong, Puri Gede, Krambitan

Rangda met leerlingen op de achergrond, Cudamani, Ubud, in Nederland

Leerling van de Rangda, PangPang genaamd, Puri Gede, Krambitan

Barong en Rangda in gevecht, Puri Gede, Krambitan

Rangda daagt Barong uit, toeristenvertoning Pura Dalem, Ubud

Terug naar “boven”