9 9 0 0 0

Het kan verkeren. H.I.R. Hinzler, 2010

De afgelopen dagen in Bali (tussen 16 en 20 september) heb ik toch al wat aardige dingen meegemaakt tijdens mijn “veldwerk”.

Allereerst een onderzoekje naar houtsoorten, die gebruikt worden bij het maken van draagstoeltjes, schrijntjes, muziekinstrumenten enzo.

Voorwerpen voor ritueel gebruik moeten van houtsoorten van “heilige” bomen gemaakt worden. Verder wordt door de adel en door brahmanen ander hout gebruikt dan door jaba’s. Er zijn teksten (over bouwen, Astakosala en Astakosali o.a. en over lijkbezorging, en familie kronieken, Babad) waarin de specifieke bomen genoemd worden. Een nadeel is, dat het vaak niet voldoende duidelijk is uit welke regio van Bali de tekst komt. Het blijkt n.l. dat de ideeen over de heiligheid van bomen per streek in Bali nogal verschillen. Wat in Krambitan en Tabanan mag, is weer niet geoorloofd een paar kilometer verder op in Kapal of in Denpasar. Omdat ik moet uitzoeken voor Museum Nusantara in Delft waar hun draagstoel, geschonken door R. van Eck – helaas staat de datum van schenking niet in de objectbeschrijving; de Van Eck van het woordenboek zat rond 1875 in Singaraja – vandaan komt en uit welk hout hij gemaakt is, ging ik op bezoek bij een timmerman, undagi, uit Br. Baturiti, Krambitan. Hij is specialist in het maken van houten schrijntjes in heiligdommen. De timmerman, Pan Dian, houdt zich bezig met het opmeten, op maat zagen en construeren van schrijns. Dat wordt sikut genoemd. Hij maakt zelf geen houtsnijwerk. Dat besteedt hij uit aan een snijder in Yeh Gangga, een dorp ten zuidoosten van Krambitan. Hij kiest bewust niet voor houtsnijders uit Panarukan, een dorp dat tegen Krambitan aan ligt, omdat hij de ornamenten die ze daar maken saai vindt.

Pan Dian koopt hout in, waru rot, sentul, cempaka, jati, dat hij op maat zaagt en bewerkt. De op maat gezaagde stukken die gebeeldhouwd moeten worden gaan naar de snijders in Yeh Gangga. Als het werk klaar is, haalt Pan Dian het op. Hij timmert de onderdelen vast en verft alles volgens de kleuren die de opdrachtgever wenst. Hij komt ook, met een paar helpers, de zaken monteren bij de opdrachtgever.

Pan Dian liet zien welke houtsoorten hij gebruikt voor de diverse onderdelen van een schrijntje – sanggah – dat op een stenen onderstuk geplaatst wordt. Voor de verticale ribben van het dak cempaka, voor de horizontale waru rot, of als dat er niet is het iets goedkopere waru, en voor het rechthoekige sluitstuk bovenop het dak cempaka. De wanden en deurtjes van de schrijn zijn ook van cempaka hout. Cempaka is “hoger en heiliger” in de hout hierarchie dan waru en sentul.

Ik wilde weten hoe je er achter komt welk hout gebruikt is, als het geverfd is. Bij ongeverfd hout kun je aan de nerf of kleur zien van welke boom het afkomstig is, maar bij geverfd hout is dat moeilijk. Door op het hout te kloppen kun je horen van welke boom het komt. Dat zou Pan Dian mij leren. Een kleine bijkomstigheid is echter, dat hij nogal doof is. Gelukkig wist hij nog hoe het zou moeten klinken. Voor een buitenstaander moet het een rare gewaarwording zijn geweest: drie mensen – de timmerman, mijn chauffeur Nyoman en ik – die met de knokkels van hun middenvinger klopten op alles wat van hout was in de werkplaats, terwijl Nyoman, die Pan Dian al heel lang kent en via een soort gebarentaal met hem communiceert, achter de namen van de houtsoorten probeert te komen en de fijne “kneepjes” van het specifieke geluid probeert te achterhalen en dit dan weer met mij bespreekt.

Bij het monteren van het Taksu schrijntje op het stenen onderstel bij Nyoman thuis, was ik ook aanwezig om te kijken en te fotograferen. De arbeidsverdeling is interessant nog afgezien van het gereedschap dat er gebruikt wordt. Het schrijntje, inclusief voetstuk ongeveer 3 meter hoog, stond tussen twee slaaphuizen op het erf in. Op de daken zat een helper gehurkt om de dakpannen voor het schrijntje op maat te knippen (met een nijptang), te plaatsen aan linker en rechter zijde van het dak en met cement vast te zetten. Pan Dian stond op een houten ladder met vertikale staanders van dik, rond hout die tegen de muur van het erf van de buren rustte. Een voet boven op de vertikale staander, die verdween in zijn voetholte, de andere voet op het stenen onderstuk van het schrijntje. Zo kon hij de pannen aan de achterkant monteren. Toen hij de ladder een beetje moest verschuiven, wiebelde hij hem met diezelfde voet de ladder een centimeter of 50 verder, terwijl hij zijn rug klem duwde tegen de muur met de voet op de schrijn. Echt acrobatenwerk. Dat kon je ook zeggen van de heren op de daken. Die zaten toch anderhalf uur op hun hurken daar te prutsen met dakpannen en het cement en met de zwarte verf, zodat cement en dakpannen dezelfde kleur kregen. Later moest nog boven op het dak een geornamenteerd topstuk van ceramiek uit Pejaten geplaatst worden. Een derde helper, die voordien emmertjes en pannetjes cement en verf had aangegeven, klom boven op het stenen voetstuk van de schrijn (dat toch wel bijna 2 meter hoog was) en zat op een smal randje steen – de rest van de bovenkant werd in beslag genomen door het houten schrijntje . Het was vooral een heel werk op het offertje, de orti , er nog op vast te binden, als teken dat het werk “af” was.

Op de markt in Krambitan had ik een andere leuke ervaring. Voor het inbinden van de tiksels uit het Balinese Manuscript Project had ik een soort priem nodig om gaatjes te maken in de dun kartonnen omslagen en het doorslagpapier waarop de teksten zijn getikt. Een priem was te dik. In Nederland had ik tevergeefs gezocht naar een els. De verkopers bij de Gamma en de Praxis hadden geen idée wat dat voor gereedschap is toen ik ernaar vroeg. De schoenmaker was met vakantie, dus die kon me ook niet helpen. Ik had vorig jaar al gezien dat de sandaallapper op de markt in Krambitan zelf zo’n apparaat had gemaakt van een dikke naald die hij in een houten handvat had geklemd. Een mooie, dikke naald had ik al, maar er was nog geen handvat. Toen ik lapper mijn naald liet zien, keek hij er verlekkerd naar. Veel mooiere kwaliteit dan zijn eigen conterfeitsel. We maakten een deal: hij zal mij een handvat leveren, als ik hem, na afloop van mijn project, mijn naald-met-handvat geef. Ik vroeg hem hoe zijn gereedschap heet. Oh, El, met een langgerekte Balinese è . Een els dus. Hij weet het wèl.

In Tabanan kocht ik vandaag, 20e, bij mijn favoriete boekwinkel Sastra Mas (stukken beter dan de oudste boekwinkel van Tabanan die Gembira Membaca heet en gedreven wordt door Chinezen) een boekje dat “ 33 Permainan Tradisional yang Mendidik” heet. En wat wordt allemaal onder die educatieve traditionele spelletjes verstaan? HomPimPah (poffen), Beklen (bikkelen), Monopoli, Dobrak pintu en Slepdur (kruipdoor sluipdoor). Het liedje dat bij Slepdur gezongen moet worden luidt volgens het boekje als volgt: sluipdoor sluipdoor, drie maal drie maal on den door, de batste wordt geraangen. Het nederlands is hier een beetje krakkemikkig, maar het moet natuurlijk zijn onderdoor, beste en gevangen.

Bij dezelfde Sastra Mas kocht ik nog 27 vlakgommetjes in de vorm van eetbare zaken, zoals gebakjes, cakejes, een verjaardagstaartje met rode kaarsjes, ijs in een horentje, pinda’s, half gepelde bananen met een gezichtje erop. Japans makelij van het merk Happy Day & Happy Fancy. Ik vermoed dat ik nu de grootste collectie oneetbare eetvlakgommetjes heb. Het was zeker een happy day voor me.

Terug naar Bali stories 2010, door H.I.R. Hinzler

Terug naar “boven”